S

S.O.S. Band
The SOS Band werd in 1977 opgericht in Atlanta, Georgia als Santa Monica waarna de naam al gauw in The SOS Band werd veranderd (de afkorting SOS staat voor Sounds Of Success). Leadzangeres van de groep was Mary Davis en ze scoorden hun eerste hit met het disconummer "Take Your Time (Do It Right)" (1980). Ook het bijbehorende album “SOS” doet het goed en leverde de gouden status op. De opvolger “Too” (1981) doet het wat minder, maar het derde album “SOS III” (1982) waarop ze samenwerken met producer Leon Sylvers III en the Time's Jimmy Jam & Terry Lewis levert de hit "High Hopes" op. Daarna volgt in 1983 het volledig door Jam & Lewis geproduceerde album “Rise” met de hits "Just Be Good To Me" en "Tell Me If You Still Care" (beiden 1984). In 1986 verschijnt “Sands Of Time" met daarop de hits “Borrowed Love" en "The Finest". De door Jam & Lewis geproduceerde SOS Band albums warden gekenmerkt door het gebruik van de Roland TR-808 drummachine (met het kenmerkende koe-bel geluid). De laatste SOS Band hit is “I’m Still Missing Your Love” van het album “Diamonds In The Raw” 1989, overigens zonder zangeres Mary Davis die in 1987 de band reeds verlaten heeft voor een solocarrière.

S.W.V.
Met hun debuutalbum “It's About Time” werd in 1992 de meidengroep SWV als nieuwe Swingbeat/New Jack Swing-groep gelanceerd. SWV is een afkorting voor “sisters with voices” en bestond uit de schoolvriendinnen Coko (Cheryl Gamble), Taj (Tamara Johnson) en Lelee (Leanne Lyons). Alledrie begonnen ze met zingen in het kerkkoor en werden als groep ontdekt door producer Teddy Riley, die ook aan de wieg stond van de carrières van de groep Jodeci en Mary J. Blige. Het debuutalbum van de dames werd meteen dubbelplatinum in Amerika en bevatte de hits "Right Here" en "I'm So Into You". Daarna volgen in 1993 twee Amerikaanse R&B nummer 1-hits: "Weak" en "Right Here/Human Nature," een remix van hun eerste single met waarop samples van Michael Jackson's "Human Nature" te horen waren. Beide platen deden het overigens ook goed in de pophitlijsten. Daarna volgt in 1994 het nummer "Anything," SWV's bijdrage aan de filmsoundtrack van de film Above The Rim. Datzelfde jaar verschijnt “The Remixes” en weer een jaar later verzorgen ze achtergrondvocalen op Blackstreet’s R&B hit "Tonight's The Night" (1995). In 1996 brengt het damestrio het album “New Beginning” uit met daarop de Amerikaanse R&B nummer 1-hit "You're The One". Daarna krijgen de dames onderling ruzie en wordt de groep eind jaren ’90 opgeheven.

Marc Sadane
Marc Sadane begon met zingen in het kerkkoor, waarna hij op Broadway ging zingen en acteren. Hij werd zanger bij de groep Tungsten Steele en begon in 1977 aan een solocarrière. Daarnaast toerde hij met Stephanie Mills. Daarna wordt hij ontdekt door het schrijvers- en productieduo James Mtume en Reggie Lucas. Met hen neemt hij zijn twee soloalbums “One Way Love Affair” (1981) en “Excitin”' (1982) op, met op dat laatste album zijn bescheiden hit “One Minute From Love”. Aan “Excitin’” werkten onder andere ook Marcus Miller en Luther Vandross mee. Dan verdwijnt hij van het muziektoneel om in 1988 nog een keer terug te keren met het nummer “Why Can't You Believe In Me” samen met Will Downing en Darryl Payne.

Sade
Sade is een Engelse groep rond zangeres Sade Adu. De groep werd opgericht in 1982. Sade bracht in 1984 haar debuutsingle "Your Love Is King" uit, dat ook terug te vinden was op het debuutalbum “Diamond Life” dat datzelfde jaar later het levenslicht zag. Andere hits van dat album waren de eerste Amerikaanse single "Hang On To Your Love", "When Am I Going To Make A Living" en "Smooth Operator" (1985). In 1985 trad Sade op tijdens Live Aid, hetgeen de populariteit van de band verder vergrootte. Ook het tweede album van de groep “Promise” (1985), met de hits " Sweetest Taboo", "Never As Good As The First Time" en "Is It A Crime", deed het goed en Sade won in 1986 een Grammy Award als beste nieuwe artiest. In 1988 volgt het derde album “Stronger Than Pride” In 1993 neemt de band een cover van Percy Mayfield’s "Please Send Me Someone To Love" op voor de film Philadelphia en een jaar later krijgen ze wederom een Grammy voor het nummer "No Ordinary Love", dat terug te vinden is op de soundtrack van de film Indecent Proposal. In 2000 verschijnt het album “Lovers Rock” die het redelijk doet. Een nieuw album (“Soldier Of Love”) staat gepkland voor 2010.

Daniël Sahuleka
In 1977 neemt de van origine Indonesische Daniël Sahuleka zijn debuutalbum “Sahuleka” op. De single “Love To Love You” is regelmatig op de Nederlandse radio te horen maar wordt geen hit. Een jaar later komt “Sahuleka 2” uit en ook die doet in Nederland maar weinig, in tegenstelling tot Indonesië waar de single “Don't Sleep Away The Night” zeven weken op de eerste plaats van de hitparade staat. In 1981 volgt het album “Sunbeam” met de hits “We'll Go Out Tonight” en “Wake Up”. Ook maakt hij datzelfde jaar een succesvolle tournee door Indonesië, waar hij nog steeds zeer populair blijkt te zijn. Samen met Toppop-presentator Ad Visser maakt Sahuleka in 1982 het album “Sobrietas” waarvan de single “Giddy Ap A Gogo” het goed doet. In 1983 scoort Sahuleka nog een bescheiden hit met de single “Such Luck”, maar latere inspanningen (tot op de dag van vandaag) doen commercieel niet zo veel meer voor de zanger.

Saint Tropez
Zie ook Rinder & Lewis, El Coco, Saint Tropez, Le Pamplemousse.

Salsoul Orchestra & Vincent Montana
Vincent Montana werd in 1928 geboren en groeide op in Philadelphia. In de jaren ’40 maakte hij deel uit van de jazzscène in Philadelphia waar hij werkte met onder andere Charlie "Bird" Parker. In de jaren ’50 verhuist hij naar Las Vegas waar hij regelmatig in diverse grote casinohotels optreedt. Het daarop volgende decennium maakt hij onder andere deel uit van het huisorkest van het in Amerika nationaal uitgezonden TV programma The Mike Douglas Show. Dit biedt hem toegang tot de eind jaren ’60, begin jaren ’70 opkomende Philly Sound waardoor hij als muzikant meedoet op diverse Philly Sound platen. Zo werkt hij mee aan "Betcha By Golly Wow" (1972) van The Stylistics en "Could It Be I'm Falling In Love" (1972) van The Spinners, maar ook aan diverse producties van The O'Jays, Johnny Mathis, Eddie Kendricks, Billy Paul, Harold Melvin & The Blue Notes, The Trammps, Lou Rawls, The Whispers, Wilson Pickett, Cissy Houston, Engelbert Humperdink, Deniece Williams, The Jacksons en Barbara Mason. Vincent produceerde ook de muziek van MSFB en speelde mee op het "Love Is The Message" album. Rond 1974 richt hij samen met de gebroeders Ken, Stan en Joe Cayre en Joe Bataan het Salsoul label op. Een jaar later brengen ze dan als The Salsoul Orchestra hun eerste album uit met uitsluitend Latin-georiënteerde instrumentale nummers. De eerste single was “Salsoul Hustle”, maar de derde single getiteld "Tangerine", bezorgt de groep de grote doorbraak. Het tweede album "Nice 'N' Naasty" (1976) levert de hits "Nice 'N' Naasty" en “Salsoul 3001” op en ook verschijnt datzelfde jaar het speciale kerstalbum "Christmas Jollies" waarop bekende kerstliedjes van een discojasje voorzien worden. In 1977 verschijnt het vierde Salsoul Orchestra album "Magic Journey" met daarop "Runaway" (met vocalen van Loleatta Holloway) en "Magic Bird Of Fire". Een jaar later komt "Up The Yellow Brick Road" uit met muziek uit bekende films en musicals. Dit is tevens het laatste officiële Salsoul Orchestra album met Vincent Montana. Datzelfde jaar brengt Vincent "How Deep Is Your Love" uit onder de naam The Salsoul Strings met grotendeels dezelfde muzikanten als The Salsoul Orchestra. Ondertussen verschijnt het volgende Salsoul Orchestra album "Street Sense", nu geproduceerd door Tom Moulton maar zonder Vincent Montana en met slechts een klein aantal originele orkestleden  De duidelijk andere muzikale koers levert de hit "212 North 12th" op. In 1979 volgt dan het album "How High", overigens zonder veel succes. The Salsoul Orchestra brengen hun laatste album uit in 1982. Patrick Adams produceerde "Heat It Up" waarop wederom een nummer met Loleatta Holloway staat ("Seconds") en ditmaal ook één met Jocelyn Brown ("Take Some Time Out (For Love)"). De laatste 12 inch single komt uit in 1983, hetgeen een remix van het oude Montana nummer "Ooh, I Love It (Love Break)" betreft dat origineel in 1975 werd opgenomen. Vincent Montana gaat na zijn Salsoul tijd onder zijn eigen naam verder en heeft nog beperkt succes met een cover van "I Love Music" (1980) en met "Heavy Vibes" (1982). Ook in de jaren ’90 en daarna blijft hij actief en werkt met onder andere The Braxtons, Incognito en Masters At Work (Little Louie Vega & Kenny Dope Gonzalez). Noemenswaardig is nog zijn medewerking aan de single "To Be In Love," waarvan meer dan 500,000 exemplaren worden verkocht en zijn samenwerking met David Morales voor de hit "New York City Boy" van de Pet Shop Boys.

Salt-N-Pepa
Salt-N-Pepa begon in 1986 met de plaat "The Show Stopper", een antwoord op Doug E. Fresh’s succesvolle hiphop-plaat "The Show". Datzelfde jaat verschijnt hun debuutalbum “Hot, Cool & Vicious”, met daarop nog DJ Pamela Green als de originele Spinderella. Bescheiden hits van dat album zijn "My Mic Sounds Nice" en "Tramp". Maar als DJ Cameron Paul een remix van "Push It" (de b-kant van "Tramp") maakt, breekt de groep international door. Daarna neemt DJ Dee Dee Roper de taak en naam van Spinderella over. Het tweede Salt-N-Pepa album ”A Salt With A Deadly Pepa (1988) behaald de gouden verkoopstatus en levert de hits "Shake Your Thang" en "Twist And Shout" op. Hun derde album “Blacks' Magic” komt in 1990 uit en levert de hits "Expression", "Do You Want Me" en "Let's Talk About Sex" op en drie jaar later verschijnt hun meest succevolle album “Very Necessary”. Hits daarvan zijn "Shoop", "Whatta Man" (samen met En Vogue) en "None Of Your Business", waarvan de laatste het trio in 1995 een Grammy Award oplevert voor Best Rap Performance. Daarna verschijnt "Brand New" (1997) waarvoor de promotie echter in de soep loopt doordat hun platenlabel failliet gaat en twee later doet de groep een laatste livetoer om in 2002 officieel ontbonden te worden.

Santa Esmeralda
Leroy Gomez werd geboren in Cape Cod, Massachusettes en richtte op 14-jarige leeftijd al zijn eerste band op. Na wat omzwervingen kwam hij bij de groep Tavares terecht, waarmee hij door Amerika, Canada en Europa toerde. Hij voelde zich thuis in Parijs en besloot zich daar te vestigen. Daar werd Gomez een veelgevraagde saxofonist en zanger. In die hoedanigheid werkte hij met onder andere Patrick Juvet en Gilbert Becaud. Daarnaast speelde hij saxofoon op "Goodbye Yellow Brick Road" van Elton John. Zijn eerste solohit was de single "Here We Go Around" die het zeer goed deed in Frankrijk. Daarna sluit hij aan op de discorage en vormt samen met een aantal studiomuzikanten de groep Santa Esmeralda. Hun eerste album is "Don't Let Me Be Misunderstood" (1977), met daarop een 16 minuten durende versie van de titeltrack. Dat wordt meteen een internationaal succes en levert de groep een wereldwijde nummer 1 hit op, 48 gouden platen en 42 platina platen. Er worden uiteindelijk meer dan 15 miljoen exemplaren van verkocht, op dat moment nog een wereld verkooprecord. In een poging het succes te evenaren neemt Gomez met dezelfde muzikanten "The House Of The Rising Sun" (1978) op maar die doet bij lange na niet zoveel als zijn voorganger. Datzelfde jaar levert de groep ook een bijdrage aan de Thank God It's Friday soundtrack in de vorm van het nummer "Sevilla Nights". Daarna gaat Gomez solo en heeft nog een kortstondige clubhit met de single "Gypsy Woman/Spanish Harlem". Ondertussen verschijnt er ook nog een vierde Santa Esmeralda album getiteld. "Beauty" (1978), maar ook dat album doet maar weinig. Inmiddels is Gomez dan vervangen door Jimmy Goings. Santa Esmeralda maakt in 1979 een comeback met"Another Cha-Cha" waarvan de titeltrack het goed doet in de Amerikaanse clubs en in 1980 verschijnt "Don't Be Shy Tonight" met wederom een clubhit ("C'est Magnifique"). Nog twee albums volgen, "The Green Talisman" en "Hush", maar die doen niet veel meer.

Millie Scott
Millie Scott werd geboren in Savannah, Georgia en zong bij diverse gospelgroepen voordat ze haar aandacht naar jazzmuziek verplaatste. Begin jaren ’70 toert als groepslid van Quiet Elegance met The Temptations en Detroit Spinners. Na ook getoerd te hebben met AI Green, richt Millie in 1976 de groep Cut Glass op, die in 1980 een behoorlijke hit scoort met “Without Your Love”. In 1986 gaat Millie Scott solo en scoort een clubhit met “Prisoner Of Love”. Het bijbehorende album “Love Me Right” volgt, waarop ook de clubhits “Automatic” en “Every Little Bit” staan. Ondanks bijdragen van Earl Klugh, Michael Powell en Jeff Lorber doet de opvolger “I Can Make It Good For You” (1988) niets en blijft het verder stil rond de zangeres.

Second Image
Second Image was een Engelse band die deel uitmaakte van de Britfunk stroming begin jaren ’80. Hun eerste twee platen, “Renaissance” (1980) en “Brother Luck” (1981) deden niet zoveel, maar “Second Image” uit 1982 leverde de groep hun eerste clubhits op met “What's Happening” (1982), “Can't Keep Holding On”, “Star” en “Better Take Time” (allen 1983). Daarna verscheen de 12 inch “There She Goes” (1984) en het laatste album “Strange Reflections” van de groep kwam in 1985 uit en leverde wederom uitsluitend clubhits op: “Don’t You”, “Starting Again” en “Sing & Shout” op.

Michael Sembello
Michael Sembello begon zijn muziekcarrière als professionele studiogitarist. Hij werkte daardoor met artiesten als Stevie Wonder, The Temptations, Michael Jackson, Diana Ross, Chaka Khan, George Benson, Barbra Streisand, Stanley Clarke en Donna Summer. Zijn eerste eigen plaat "Maniac" bracht hij uit in 1983 en dat werd meteen een Amerikaanse nummer 1-hit.  Het nummer was ook terug te vinden op de soundtrack van de film Flashdance die datzelfde jaar een Grammy Award als beste soundtrack opleverde. Daarna maakt Sembello nog wat minder succesvolle platen uit en werkt mee aan andere filmsoundtracks, zoals bijvoorbeeld die van Cocoon, Gremlins en Independence Day.

Shakatak
De Engelse jazz/funk groep Shakatak werd in 1980 opgericht in Londen en bestond in eerste instantie uit toetsenist Bill Sharpe, gitarist Keith Winter, bassist George Anderson, zangeressen Jill Saward en Jackie Rawe en drummer Roger Odell. Met hun debuutsingle “Steppin'” (1980) scoren ze een besheiden clubhit. Datzelfde jaar volgt de single “Livin' In The UK”, net als het debuutalbum “Drivin' Hard”. Een jaar later brengt de groep het album “Nightbirds” (1982) uit met daarop de hits “Easier Said Than Done”; “Streetwalkin’” en de titeltrack. Daarna volgen de albums "Invitations" (1982), "Out Of This World" (1983) en “Down On The Street” (1985), waarvan met name de laatste weer wat hits oplevert in de vorm van de titeltrack, “City Rhythm, “Watching You" en “Day By Day”, een duet met Al Jarreau. Met de vele volgende albums heeft de groep tot op heden vooral veel succes in Azië, met name in Japan, en het enige noemenswaardige succes hierna is nog het album "Manic and Cool" (1988) met de singles “Mr. Manic And Sister Cool” en “Something Special”.

Tupac Shakur
Tupac Amaru Shakur (ook bekend als 2Pac en Makaveli) werd in 1971 geboren in Brooklyn, New York. Op jonge leeftijd verhuisde hij met zijn familie naar Oakland, Californië en kwam daar voor het eerst in aanraking met (zoals hij later zelf zei) "verkeerde lui". Hij kwam diverse malen in aanraking met justitie, maar werd niet veroordeeld. Op 15-jarige leeftijd begon Tupac met rappen onder de naam MC New York, en later 2Pac. Na een gastoptreden op de EP “This Is An EP Release” (1991) van de groep Digital Underground, bracht hij datzelfde jaar op 20-jarige leeftijd zijn eerste solo-album uit met de titel “2Pacalyse Now”. Dit album werd meteen een succes, net als zijn tweede album. Ondertussen speelde hij in enkele films, onder ander in Poetic Justice met Janet Jackson. In 1994 raakte 2Pac zwaargewond bij een roofoverval en ook werd nog tijdens de revalidatie veroordeeld tot een paar jaar gevangenisstraf vanwege verscheidene aanklachten. Terwijl hij in de gevangenis zat, kwam zijn derde album “Me Against The World” (1995) uit die op de eerste plaats in de Amerikaanse hitlijst terecht kwam. Daarop stond ook de hit “Dear Mama”. Daarna volgt in 1996 "All Eyez On Me". Datzelfde jaar heft hij een wereldwijde hit met “California Love” met Dr. Dre & Roger Troutman en scoort hij zelf een hit met “I Ain't Mad At 'Cha”. In 1996 werd Tupac opnieuw beschoten, nadat hij bij een bokspartij van Mike Tyson in Las Vegas was geweest waarna hij op 25-jarige leeftijd overleed. Vrijwel direct na 2Pacs dood ontstonden er geruchten dat 2Pac niet overleden was, maar zich had teruggetrokken van het geweld en de ellende om zich heen. Na zijn dood werd een enorme hoeveelheid nieuw materiaal ontdekt en uitgebracht waardoor er tot op de dag van vandaag nog nieuw materiaal van de rapper verschijnt. Posthumm scoorde hij daarn nog de hits “Do For Love” (1998), “Changes” (1999) en “Until The End Of Time” (2001).

Shalamar & Jody Watley & Howard Hewitt
Jody Watley werd in 1959 geboren in Chicago. Ze brak door als artieste in 1975, toen ze auditie deed voor het TV programma "Soul Train". Door haar optredens in dat programma vroeg Dick Griffey Watley in 1977 voor de groep Shalamar. De groep Shalamar begon initieel als studiogroep, maar werd vanaf dat moment een groep met vaste bezetting bestaande uit Jody Watley, Jeffrey Daniels en Howard Hewitt. Het eerste Shalamar album was "Uptown Festival", met daarop een medley van Motownhits, die de band meteen een hit oplevert. In 1978 gaat de groep platen maken voor Griffey’s befaamde SOLAR (Sound Of Los Angeles Records) label. Hun tweede album "Disco Gardens" (1979) levert de clubhit "Take That To The Bank" op en het derde album "Big Fun" (1979) de hits "Second Time Around", "Right In The Socket" en in mindere mate ook "I Owe You One". In 1981 volgt "Go For It" zonder veel succes. Voor Shalamar's vierde album "Three For Love" gaat de groep samenwerken met producer Leon Sylvers III. Deze samenwerking levert de hits "Full Of Fire", "Make That Move" en "This Is For The Lover In You" op. Zo langzamerhand ontstaat binnen de groep onenigheid, maar ze blijven bij elkaar. Het daaropvolgende album "Friends" (1982) levert de danceclassics "A Night To Remember" en “I Can Make You Feel Good” op en het album "The Look" de clubhit "Dead Giveaway". Jody neemt dan afscheid van de groep en twee nieuwe leden, Micki Free en Delisa Davis, komen bij de groep om nog twee noemenswaardige hits, "Dancing In The Sheets" en "Don't Get Caught In Beverly Hills" (1984), voort te brengen. In 1990 wordt de groep ontbonden. In 1985 heeft inmiddels ook Howard Hewitt de groep verlaten en heeft daarna nog een redelijk succesvolle solocarrière met als hoogtepunten de R&B hits , “I'm For Real”, “Stay” (beiden 1986) en “I Commit To Love” (1987). Daarnaast werkt hij als schrijver en achtergrondzanger voor Dionne Warwick, Anita Baker, LaToya Jackson, Stanley Clarke en George Duke en Donna Summer. Jody Watley brengt in 1987 haar solodebuutalbum “Jody Watley” uit waarvoor ze een Grammy als Beste Nieuwe Artiest krijgt. Belangrijkste hit van dat album is "Lookin' For A New Love". In 1989 brengt Walley het album "Larger Than Life" uit met de hits "Friends" (met rap van Rakim) en "Real Love".Hierna volgen nog een aantal minder succesvolle albums.

Shannon
Shannon werd geboren als Brenda Shannon Greene in Washington D.C. in 1958 en studeerde muziek en dans. Tijdens haar studie nam ze haar grootste hit op, getiteld "Let The Music Play" (1983) waarmee ze een kleine muzikale revolutie ontketende. De plaat bepaalde gedurende een aantal jaren het freestyle of electro-funk geluid dat kort daarvoor door producer Arthur Baker en John Rocca (bekend van "I.O.U" van Freeez en "One More Shot " van C-Bank) werd ontwikkeld. De opvolger van die plaat, "Give Me Tonight" (1984), doet het alleen redelijk in de clubs, net als de nummers "Sweet Somebody" en "My Heart's Divided" (beiden 1984). Haar laatste noemenswaardige succes heeft Shannon met "Do You Wanna Get Away" (1985). In de jaren ’90 verschijnt ze in diverse zogenaamde off-Broadway producties. Eind jaren ’90 verzorgt ze nog vocalen op hits van Todd Terry ("It's Over Love") en Sash! ("Move Mania"). Een nieuw album dat ze uitbrengt in 2000 doet echte weinig net als enkele remixen die van “Let The Music Play” verschijnen.

Dee Dee Sharp
Dee Dee Sharp werd in 1945 geboren als Dione LaRue in Philadelphia. En begon haar carrière in 1961 als achtergrondzangeres. In 1962 scoorde ze zelf Amerikaanse hits met onder andere "Slow Twistin'" (met Chubby Checker), "Mashed Potato Time" en "Ride!". In 1967 trouwde ze met platenproducer Kenny Gamble waarna ze verder door het leven gin gals Dee Dee Sharp-Gamble. Daarna maakte ze eind jaren ’70 nog een korte comeback tijdens het discotijdperk als groepslid van de Philadelphia International All Stars en begin jaren ’80 op eigen kracht als zee en Amerikaanse clubhit scoort met “Breaking And Entering"/"Easy Money" (1982) van haar solo-album “Dee Dee”.

Sheila (and) B. Devotion
Sheila was de artiestennaam van de Franse popzangeres Annie (Any) Chancel. Ze werd in 1945 geboren in Créteil. "Sheila" was haar eerste single, die ze uitbracht in 1962, nadat ze ontdekt werd door de Franse muziekproducer en schrijver Claude Carrère. In 1977 vormde ze de groep Sheila and B. Devotion (ook wel bekend als Sheila B. Devotion) en haakte aan bij de discorage van dat moment. Dat was ook het moment dat ze overschakelde op Engelse teksten. Haar grootste hits waren "Love Me Baby", "Singin' In The Rain" (beiden 1978) en het door de mannen van Chic geproduceerde "Spacer" (1979). Tot op de dag van vandaag maakt Sheila muziek, maar zonder veel commercieel succes.

Tony Sherman & The Sherman Brothers
Tony Sherman is een Antilliaanse soulzanger uit Haarlem die in de jaren ’70 en ’80 zowel onder eigen naam (met de nummers “Tonight” en “Ellovee-ee”) als met de Sherman Brothers (met het nummer “Living For The Night”) bekendheid genoot. In 1981 neemt hij de stem van Stevie Wonder in “Stars On Stevie” voor zijn rekening en krijgt daarvoor de Conamus Exportprijs en werkt in de jaren ’80 ook samen met Julia Lo'ko. Ook broer Kenneth Sherman brengt begin jaren ’80 een solosingle uit, getiteld “Why Can’t We Live Together”.

Sherrick
Sherrick, geboren in 1967, begint zijn muziekcarrière bij Motown als groepslid van Kagny And The Dirty Rats, waarmee hij in 1983 het gelijknamige album uitbrengt. Daarna begint Sherrick aan een solo-album, maar kan niet van de vrouwen en de drugs afblijven waardoor de voortgang nogal slecht is. Uiteindelijk verschijnt in 1987 toch een solo-album getiteld “Just Call”, waarvan alleen de gelijknamige single het redelijk doet in met name Engeland. Tijdens Amerikaanse promotieactiviteiten voor het album speelt zijn drugsverslaving weer op en mist hij daardoor diverse optredens. Hij gaat aan het werk aan een nieuw album maar verdwijnt met het daarvoor betaalde voorschot en is zelfs helemaal zoek van 1988 tot 1999. Als hij weer opduikt, werkt hij aan een comeback maar overlijdt datzelfde jaar plotseling.

Silver Convention & Penny McLean
Silvester Levay en Michael Kunze maakten midden jaren ’70 deel uit van de muziekscène in Munchen (Duitsland), waarvan ook Donna Summer, Giorgio Moroder en Harold Faltermeyer deel uitmaakten. Een paar weken nadat ze gaan samenwerken, nemen ze een demo voor het nummer "Save Me" op. Vier uur later voorzien ze het geheel van damesvocalen en Levay’s bijnaam “Silver” leidt tot de groepsnaam Silver Convention. Zodra "Save Me" een Europese discohit wordt, is het tijd voor een album. Van dat album verschijnt vervolgens ook de volgende clubhit "Fly, Robin, Fly". Deze plaat betekent tevens de doorbraak van de groep in Amerika als deze in 1975 de nummer 1 positie van de Amerikaanse hitlijst bezet. De originele studiozangeressen worden vervangen door Linda G. Thompson, Penny McLean (die later een enorme solohit scoort met "Lady Bump") en Ramona Wulf. Hun tweede Amerikaanse single "Get Up And Boogie" (1976) wordt weer een grote Amerikaanse hit (nummer 2). Het tweede album van de groep, getiteld "Silver Convention" (1976), doet het ook goed ondanks het feit dat er geen echte hits op staan. Datzelfde jaar verschijnt ook het derde album "Madhouse" dat maar weinig doet voor de groep. Ondertussen wordt Linda vervangen door Rhonda Heath en verschijnt het vierde album "Golden Girls" (1977) met daarop de clubhit "Hollywood Movie" en een remake van "Save Me". Tegen de tijd dat het vijfde album in 1978 wordt uitgebracht heeft inmiddels ook Penny McLean de groep verlaten, maar komt nog wel terug voor de laatste single "Cafe Au Lait".

Simply Red
Simply Red is een Britse band met als zanger Mick Hucknall. De naam is een verwijzing naar Hucknall's krullerige rode haardos en zijn politiek linkse voorkeur. De debuutsingle van de band was meteen een groot succes. “Money's Too Tight To Mention” werd in 1985 in diverse Europese landen een hit, net als het nummer “Holding Back The Years (1986) die in Ameriika zelfs nummer 1 werd. In 1989 gebeurt datzelfde met het nummer “If You Don't Know Me By Now”, origineel van Harold Melvin & the Blue Notes. Daarna heeft de groep nog hits met onder andere de nummers “Stars” (1991), “Fairground” (1995), “Remembering The First Time” (1995) en “Sunrise” (2003). In oktober 2007 maakte Mick Hucknall bekend dat Simply Red er na een laatste tour in 2009 mee gaat stoppen om als solo-artiest verder te gaan.

Joyce Sims
Joyce Sims werd in 1959 in New York geboren. Ze studeerde muziek en leerde diverse instrumenten bespelen. Tijdens haar werk in een hamburgerrestaurant schreef Joyce liedjes en één daarvan werd toevallig gehoord door een agent die haar in 1986 een platencontract bezorgt. Ze werkt met producer Mantronik (of Mantronix), hetgeen haar de hits “All And All” en “Lifetime Love” oplevert. De titelsong van haar debuutalbum “Come Into My Life” bezorgt Sims haar doorbraak. De platen van Joyce Sims worden gekenmerkt door een nogal hoog stemgeluid, tegen het valse aan, wat haar handelsmerk wordt. Het volgende album “All About Love” (1989) doet het aanmerkelijk minder goed en leidt tevens tot het einde van haar zangcarrière.

Slave
Slave was in de late jaren ’70 en vroege jaren ’80 één van de bekendste funk bands. Steve Washington richtte de band op in Dayton, Ohio in 1975. Zanger Steve Arrington werd in 1978 aan de band toegevoegd en werd uiteindelijk de leadzanger. De eerste grote hit van Slave was het nummer "Slide" (1977). Andere hits waren "Just A Touch Of  Love" (1979), "Watching You" (1980) en "Snap Shot" (1981). De bandleden StarleanaYoung, Steve Washington, and Tom Lockett Jr. verlieten de groep in 1979 en gingen verder onder de naam Aurra. Ook Steve Arrington verliet de groep begin jaren ’80 voor een solocarrière. Het laatste Slave album verscheen in 1986.

Sister Sledge
De groep Sister Sledge werd in 1971 opgericht in Philadelphia en noemde zich eerst Sisters Sledge (meervoud). De vier zusters waren toen tussen de 12 en 16 jaar oud. Hun eerste single was “Time Will Tell” en in 1974 brachten ze hun eerste album “Circle Of Love” uit, met daarop de R&B hit “Love, Don't You Go Through No Changes On Me”. In 1975 hebben de dames hitparadesucces met het liedje “Mama Never Told Me” die een behoorlijke hit wordt in zowel Amerika als Engeland. Twee jaar later verschijnt “Together” met als bescheiden hit “Blockbuster Boy”. In 1979 gaat de groep samenwerken met Nile Rogers en Bernard Edwards van de groep Chic waarna een reeks van hits volgt, waaronder “He's The Greatest Dancer”, “We Are Family”, “Lost In Music”, All American Girls” en “Thinking Of You”. Daarna gaat Sister Sledge haar eigen materiaal produceren, wat in 1983 tot het album “Betcha Say That To All The Girls” en de single “Smile” leidt. In 1985 hebben de dames nog succes met de hitsingle “Frankie”, die zelfs nummer 1 wordt in Engeland, en een jaar later wordt van “Lost In Music” een remix uitgebracht die het goed doet. Daarna verschijnen alleen nog diverse minder succesvolle solo-albums van de groepsleden.

Will Smith (Fresh Prince)
Willard Christopher Smith, Jr. werd in 1968 geboren in Philadelphia. Op school kreeg hij door zijn bijna voorbeeldige gedrag de bijnaam "Prince" die uiteindelijk leidde tot de bijnaam "Fresh Prince". Tijdens zijn tienerjaren begon hij samen met Jeff Townes (ofwel D.J. Jazzy Jeff) met het maken van rapmuziek waaruit het duo D.J. Jazzy Jeff & The Fresh Prince voortkwam. Onder die naam brengt hij diverse platen uit, waarvan “Girls Ain’t Nothing But Trouble” (1988), "Parents Just Don't Understand" (1988), "I Think I Can Beat Mike Tyson", "Jazzy's Groove" (beiden 1989), "Summertime" en "Ring My Bell" (beiden 1991) het meest succevol waren. In 1990 krijgt hij de hoofdrol in de TV serie The Fresh Prince Of Bel-Air, waardoor hij ook een carriëre als acteur begint. Bekende films waarin hij meedoet zijn onder andere Bad Boys (1995), Independence Day (1996) en Men In Black (1997). Daarnaast gaat hij ook solo muziek maken en scoort diverse hits, waaronder de gelijknamige titelsong voor de film Men In Black, “Just Cruisin’” (1997), een cover van "Just the Two Of Us", “Maimi”, "Gettin' Jiggy Wit It" (allen 1998) en "Wild Wild West" (1999). Will Smith was ook verantwoordelijk voor de start van de muziekcarriëre van zijn Fresh Prince Of Bel Air collega Tatyana Ali.

Snoop Dogg
Snoop Dogg werd in 1971 geboren als Calvin Cordozar Broadus Jr. in Long Beach, Californië, en werd bekend onder zijn oorspronkelijke artiestennaam Snoop Doggy Dogg. Als kind kwam Snoop Dogg regelmatig in aanraking met justitie vanwege het gebruik van drugs en nadat hij van de middelbare school afkwam, zat hij regelmatig in de gevangenis. Via zijn vriend Warren G. kwam hij in aanraking met Dr. Dre, een stiefbroer van Warren G. Tijdens de opnames van zijn debuutalbum “Doggystyle”, samen met Dr. Dre, werd Snoop Dogg in 1993 gearresteerd op verdenking van moord op Phillip Woldermarian die, naar later bekend werd, Snoop Dogg had gestalkt. Snoop Dogg werd uiteindelijk vrijgesproken van moord op grond van zelfverdediging. Ondertussen kwam zijn gangsta-rap debuutalbum in Amerika nieuw binnen op de eerste plaats van de hitparade, wat tot dan toe nog nooit eerder was gebeurd met een debuutalbum. Hit van dat album was het nummer “What's My Name”. In 1996 volgt het album “The Doggfather” met daarop de hit “Snoop's Upside Ya Head”. In deze periode nam de populariteit van gansta-rap behoorlijk af door de moord op Tupac Shakur (vriend van Snoop Dogg) en de strijd tussen de Westcoast en de Eastcoast rappers en door de controversie rondom Suge Knight, medeoprichter en eigenaar van Death Row Records. Hits van Snoop Dogg en nummers waarop hij te horen is zijn daarna nog “Lay Low” (2001), “Beautiful” (2003) met Pharell en Charlie Wilson (van de Gap Band), Drop It Like It's Hot (2004) wederom met Pharell, “Signs” (2005) met Charlie Wilson en Justin Timberlake, “Ups & Downs” (2005), “I Wanna Love You” (2006) van Akon en “Buttons” (2006) van de Pussycat Dolls. Zijn meest recente plaat is “Sexual Seduction” (2008).

Gino Soccio
Gino Soccio werd geboren in Montreal, Canada en scoorde zijn eerste hits "Magic Fly" en "War Dance" in 1977 met de groep Quebec Electric. In 1978 begon hij ook productiewerk te doen voor disco- en rockprojecten. Eén van die projecten betrof Karen Silver’s debuutalbum "Hold On I'm Comin'" dat het in Canada en Amerika redelijk deed. In 1979 bracht hij zijn eerste eigen album uit, getiteld "Outline" die meteen succes opleverde. De 12 inch single van "Dancer" bereikte de nummer 1 positie in Amerika en dat het album leverde verder ook nog de 12 inch singles "The Visitors" en "Dance To Dance" op. Zijn volgende album "S-Beat" (1980) bevatte niet alleen zijn van zijn eerste album bekende euro-disco geluid maar ook new-wave elementen. Een aantal 12 inches volgden van dit album, zoals de titeltrack en "Rhythms Of The World". Zijn grootste succes kwam weer een jaar later met het album "Closer" en de hits "Try It Out" en "Hold Tight". In 1982 volgt dan "Face To Face" met de 12 inch single "It's Alright". Het duurt daarna tot 1984 tot we weer iets van Gino vernemen in de vorm van de 12 inch "Turn It Around", die een behoorlijk clubhit wordt. Nog twee 12 inch singles volgen in 1985 en 1986, respectievelijk "Temptation Eyes" en "Magic", maar leveren geen noemenswaardige hitnoteringen meer op.

Soul II Soul
Soul II Soul werd in 1989 opgericht in London door Jazzie B (echte naam Beresford Romeo), samen met Nellee Hooper en Philip “Daddae” Harvey. Soul II Soul werd uiteindelijk ook merknaam voor diverse andere activiteiten van oprichter Jazzie B, waaronder een kledinglijn. Na twee weinig succesvolle singles wordt “Keep On Movin” een groot international succes. Ook de opvolger daarvan, “Back To Life (However Do You Want Me)”, doet het goed, net als het bijbehorende album “Club Classics Volume One”. Op beide singles verzorgt Caron Wheeler de vocalen en gaat na die platen solo met als enige noemenswaardige wapenfeit de single “Living In The Light”. Jazzie B en Nellie Hooper zijn ondertussen ook medeverantwoordelijk voor Sinead O'Connor’s nummer 1 hit “Nothing Compares To You” en werken daarnaast ook met The Fine Young Cannibals en Neneh Cherry. Soul II Soul’s tweede album komt uit in 1990 maar valt wat betreft commercieel succes zwaar tegen. Nellee Hooper gaat daarna werken met diverse bekende acts, zoals Massive Attack, Björk, Madonna en U2. Het derde Soul II Soul album levert weer een bescheiden hit op met “Move Me No Mountain” (1992) en de laatste noemenswaardige single is “Love Enuff” (1995).

Spargo
Spargo is een Nederlandse band die al sinds 1975 bestaat, met een pauze van 1985 tot 1997. Spargo werd opgericht door de Amsterdammers Ellert Driessen, Ruud Mulder, Hans Elbersen, Jef Nassenstein en Leander Lammerink en ging eerst door het leven onder de naam Funkliefhebber Lammertink. Eind jaren '70 voegde de van oorsprong Amerikaanse zangeres Lilian Day Jackson zich bij de groep. Met haar als leadzangeres en de zang van Ellert Driessen kreeg de groep haar kenmerkende geluid. De single “You And Me” bezorgt de groep in 1980 hun bekendheid, waarmee ze in Nederland nummer 1 in de top 40 worden en ook de Amerikaanse top 10 bereiken. Het nummer was tevens de bestverkochte plaat van 1980 in Nederland. Spargo scoort begin jaren '80 nog enkele hits in Nederland, waaronder “One Night Affair”, “Head Up To The Sky”en “Hip Hap Hop”, maar slaagt er niet meer in het succes van “You And Me” te evenaren. De groep stopt in 1985, waarna zowel Lilian Day Jackson (met “Got To Control It”) als Ellert Driessen (met “Love Lies”) eind jaren ’80 nog zeer beperkt solosucces hebben. Ellert Driessen componeert daarna vooral liedjes voor anderen. In 1997 komt Spargo weer bij elkaar en brengen ze de weinig succesvolle single “Indestructible” uit. De hereniging van de groep leidt wel weer tot regelmatige optredens op met name danceclassics feesten. In 2000 is Ellert Driessen verantwoordelijk voor het songfestivalliedje “No Goodbyes” van Linda Wagenmakers.

Spinners
The Spinners begonnen als The Domingoes in 1957 in Detroit. De eerste hitsingle van de groep is "That's What Girls Are Made For" (1961), maar opvolgers van dat nummer floppen. Als ze naar Motown gaan hebben ze gedurende de jaren ’60 een aantal redelijke hits met onder andere "I'll Always Love You" en "Truly Yours", maar het duurt tot 1970 voordat ze een echte hit scoren met het door Stevie Wonder geschreven "It's A Shame". In 1972 verlaat de groep Motown en gaan ze werken met producer Thom Bell, die ze in de jaren ’70 de hits "I'll Be Around", "Could It Be I'm Falling In Love", "One Of A Kind (Love Affair)", "Ghetto Child", "Rubberband Man" en "You're Throwing A Good Love Away" bezorgt. Naast hitsingles doen ook hun albums het goed: want bijna allemaal bereiken ze de gouden status en halen ze de top 20 van de Amerikaanse hitlijst. Hun samenwerking met Dionne Warwick ("Then Came You" ) levert The Spinners zelfs een Amerikaanse (pop)nummer 1 hit op. Eind jaren ’70 maken The Spinners ook een paar discocovers die het uiterst goed doen, te weten "Working My Way Back To You/Forgive Me Girl" en "Cupid/I've Loved You For A Long Time". Daarna, begin jaren ’80, scoren ze nog een paar kleine hits om pas in 1999 terug te komen met een nieuw studio album getiteld "At Their Best".

Phyllis St. James
Phyllis St. James was een zangeres, liedjesschrijver en percussionist uit Los Angeles. Ze schreef in de jaren ’80 liedjes voor diverse artiesten, waaronder Jean Carne, Rodney Franklin en The Jones Girls. Als solo-artieste tekende Phyllis in 1984 bij het befaamde Motown label waarvoor ze één album opnam met de titel “Ain't No Tuming Back”, waarop ook haar clubhit “Candlelight Afternoon” terug te vinden is. Daarnaast deed ze achtergrondwerk voor soulacts als Rodney Franklin, Randy Crawford, Teddy Pendergrass, Gerald Albright en Atlantic Starr, maar bijvoorbeeld ook voor Pink Floyd en Paul Young.

Lisa Stansfield
Lisa Jane Stansfield werd geboren in 1966 en begint, na diverse flops te hebben uitgebracht tijdens haar tienerjaren, met de band Blue Zone langzaam bekendheid te krijgen. Haar doorbraak komt als ze de vocalen verzorgt op het nummer "People Hold On" (1989) van Coldcut. Datzelfde jaar scoort ze ook een enorme solohit met "All Around The World" (1989) die het uiterst goed doet aan beide kanten van de Atlantische oceaan. Andere hits van haar debuutalbum “Affection” (1989) zijn "This Is The Right Time", "Live Together", "What Did I Do To You" en "You Can't Deny It". Het album bereikt de platina status in Amerika en er worden wereldwijd meer dan 5 miljoen exemplaren van verkocht. In 1990 werkt ze mee aan het “Red Hot + Blue” album ten bate van AIDS-onderzoek en een jaar later brengt ze haar tweede album “Real Love” (1991) uit met daarop de hits "Change", "All Woman", "Someday (I'm Coming Back)" en "Set Your Loving Free". Dat album doet het minder goed dan de voorganger maar behaalt in Amerika nog wel de gouden status. In 1992 wint ze een BRIT Award als beste Britse vrouwelijke soloartieste en een jaar later volgt het aanmerkelijk minder succesvolle album “So Natural” (1993). Naast de titeltrack levert dat album de single "In All The Right Places" op en het album wordt niet eens in Amerika uitgebracht. In Europa blijft ze een grote naam, maar veel meer dan hitsingles met een nieuwe versie van "People Hold On", "The Real Thing" en "Never Never Gonna Give You Up", een remake of Barry White's hit uit 1973, levert dat niet meer op.

Starpoint
De groep Starpoint werd in 1969 opgericht in New York. Origineel noemde de groep zich Licyndiana, maar aangezien die naam nogal lastig uit te spreken bleek werd die al gauw verandert in Starpoint. Uiteindelijk weet de groep een platencontract te sluiten bij Casablanca, waar ze het album “I Just Wanna Dance With You (1980)” met de gelijknamige clubhit uitbrengen en in 1982 het album “All Night Long”. Daarna volgt “It's So Delicious” (1983), maar pas als ze van platenmaatschappij veranderen krijgen ze succes, overigens eigenlijk alleen in Amerika. De albums die volgens zijn “It's All Yours” (1984), “Restless” (1985) met de hit “Object Of My Desire”, “Sensational” (1987) en “Have You Got What It Takes” (1990). In 1990 wordt de band ontbonden.

Edwin Starr
Edwin Starr werd geboren in Nashville, Tennessee in 1942. In 1957 begon hij zijn muziekcarrière met het oprichten van de doo-wop groep The Future Tones. In de jaren ’60 maakte hij zijn eerste opnames voor het kleine platenlabel Ric-Tic dat in 1968 werd overgenomen door Motown. Zijn doorbraak volgde met het nummer "Agent Double'O'Soul" (1965) en zijn eerstvolgende hit was "25 Miles", waarmee hij ook international scoorde. Zijn grootste hit als soul artiest was het anti-Vietnam oorlog nummer "War" (1970), origineel van de Temptations, dat nummer 1 werd in Amerika. In 1973 verhuist Edwin Starr naar Engeland waar hij muziek blijft maken. In 1979 keert Starr terug in de hitparades met de discohits "Contact" en "H.A.P.P.Y. Radio". Ook daarna brengt hij nog diverse platen uit, maar alleen een samenwerking met producerstrio Stock, Aitken & Waterman in 1988 levert nog een clubhit op in de vorm van "Whatever Makes Our Love Grow". In 2000 werkt hij samen met Utah Saints aan een nieuwe versie van zijn oude nummer "Funky Music Sho Nuff Turns Me On" en twee jaar later met Jools Holland op "Snowflake Boogie" en wederom met Utah Saints aan een tot op heden onuitgebrachte versie van "War". Edwin Starr overlijdt op 61-jarige leeftijd aan een hartaanval.

Amii Stewart
Amy Stewart werd geboren in 1956. Omdat er al een artieste Amy Stewart bestond veranderde ze de spelling van haar voornaam naar Amii. Het eerste liedje dat ze opnam was “You Really Touched My Heart”. Dit leidde tot een album met daarop covers van “Light My Fire” van The Doors en Eddie Floyd's “Knock On Wood.” Deze laatste werd in 1979 tijdens de discorage een enorme hit en er werden wereldwijd meer dan 8 miljoen exemplaren van verkocht. Daarna volgde “Light My Fire/137 Disco Heaven”. In datzelfde jaar werd meteen een opvolgend album opgenomen met uitsluitend covers, getiteld “Paradise Bird” maar dit werd niet echt een succes. Alleen de single “Jealousy” deed het nog redelijk. Daarna werkte Stewart onder andere met Narada Michael Walden maar vanaf toen moest ze het steeds meer hebben van haar optredens en concerten. In 1985 kwam Amii plotseling terug in de schijnwerpers met “Friends”, waarna ze nog diverse albums opnam met zeer uiteenlopende muziekgrootheden zoals Giorgio Moroder en Ennio Morricone, zonder veel resultaat overigens.

Joss Stone
Joss Stone debuteerde in 2003 met het album “The Soul Sessions”, waarop ze oude soulnummers nieuw leven inblies. Opvallend was haar doorleefde stemgeluid terwijl ze toen pas 16-jaer oud was. Ze werd op haar album bijgestaan door artiesten als Betty Wright, Angie Stone en The Roots. Van het album werden meer dan 3 miljoen exemplaren verkocht en succesvolste single ervan was het nummer “Super Duper Love”. Eind 2004 volgde “Mind, Body & Soul”, die de zangeres zelf als haar debuutalbum beschouwt omdat ze hiervoor zelf de nummers schreef. Het was in eerste instantie ook de bedoeling dat dit haar eerste album zou worden, maar “The Soul Sessions” werd door mensen bij haar platenlabel zo goed bevonden, dat werd besloten om dat album eerst uit te brengen. Van “Mind, Body & Soul” werden de singles “You Had Me” en “Don't Cha Wanna Ride?” behoorlijke hits. Joss Stone was tijdens het North Sea Jazz Festival van 2005 één van de belangrijkste acts, naast Candy Dulfer en Jamie Cullum. Momenteel werkt de zangeres aan de opvolger van “Mind, Body & Soul” die gepland staat voor voorjaar 2007.

Sly Stone
Sly Stone werd in 1943 geboren als Sylvester Stewart in Texas. Samen met zijn broers en zusters vormden zij als kinderen de gospelgroep The Stewart Four en namen een 78-toeren plaat op getiteld "On The Battlefield" (1952). Op de oudste zus na namen alle kinderen de achternaam "Stone" aan en werden leden van de groep Sly & The Family Stone. Sly kreeg zijn bijnaam nadat een schoolvriendje zijn naam per ongeluk misspelde als Slyvester. Op 7-jarige leeftijd was Sly al volleerd toetsenist en tegen de tijd dat hij 11 was speelde hij ook gitaar, bas en drums. In de jaren ’60 werkte Stone als dj in San Francisco en rond diezelfde tijd neemt hij de naam Sly Stone aan en begint zijn band Sly & The Family Stone. Hun debuutsingle "I Ain't Got Nobody" dateert van 1967. Samen met James Brown en Parliament/Funkadelic, behoort Sly Stone tot de grondleggers van de funkmuziek. Hun eerste hit scoren Sly & The Family Stone met "Dance To The Music" (1967) en andere hits volgen, zoals “Stand”, "Everyday People" en "Hot Fun In The Summertime" (allen 1969). Ook treden zij op tijdens Woodstock. Met het succes beginnen ook de problemen en begin jaren ’70 verlaat Larry Graham de groep. Nieuwe platen volgen met vooral de nadruk op Sly en niet meer op de band. In 1975 valt The Family Stone uit elkaar en neemt Sly nog een aantal solo-albums op. Daarnaast werkt hij begin jaren ’80 met de groep Funkadelic en Bobby Womack en in 1986 is Stone te horen op "Crazay" van Jesse Johnson. Daarna is Sly nog wel met muziek bezig maar scoort geen hits meer.

Nick Straker Band
De Engelse Nick "Straker" Bailey begon in 1969 zijn eerste band. Hij heeft tien jaar later zijn eerste succes met de Nick Straker Band en het nummer "A Walk In The Park" die in 1980 ook in Amerika succes oplevert. Zijn eerste echte Amerikaanse hit volgt in 1981 met "A Little Bit Of Jazz". In datzelfde jaar brengt hij ook "Leaving On A Midnight Train" uit met behoorlijk clubsucces. De laatste Nick Straker Band hit is "Straight Ahead". Daarna blijven successen beperkt tot Engeland.

Stylistics
The Stylistics was één van de bekendste soulgroepen uit Philadelphia van de jaren ’70. De groep werd in 1968 opgericht en de heren scoorden hun eerste Amerikaanse hit in 1971 met "You're A Big Girl Now". Als ze met producer Thom Bell gaan samenwerken scoren The Stylistics hun grootste hits, waaronder "Stop, Look, Listen (To Your Heart)" (1971), "You Are Everything" (1971), "Betcha By Golly Wow!" (1972), "I'm Stone In Love With You" (1972), "Break Up To Make Up" (1973) en "You Make Me Feel Brand New" (1974). "You Make Me Feel Brand New" (1974) was hun grootste hit die de groep één van hun vijf gouden singles opleverde. Als ze daarna met Van McCoy en Hugo en Luigi gaan samenwerken hebben ze nog een Engelse nummer 1 hit met "I Can't Give You Anything (But My Love)" (1975). Ze blijven tot op heden muziek maken maar met aanmerkelijk minder succes.

Sugarhill Gang
The Sugarhill Gang was een Amerikaanse hip hop groep die vooral bekend werd dankzij hun wereldwijde hit "Rapper's Delight" (1979), de eerste hip hop single die een algemene top 40 hit werd. In het nummer zaten elementen van Queen’s “Another One Bites The Dust” en Chic’s "Good Times". De groep bestond uit Wonder Mike (Michael Wright), Big Bank Hank en Master Gee (Guy O'Brien) en werd samengesteld door producer Sylvia Robinson, die samen met haar echtgenoot Joe Robinson ook de oprichter van het befaamde hip hop platenlabel Sugar Hill Records was. De heren werd ondersteund door drie sessiemuzikanten, waaronder de latere Living Colour bassist Doug Wimbish, waarmee ze al hun platen opnamen. Naast "Rapper's Delight" bracht de groep nog de aanmerkelijk minder succesvolle singles "Apache" en "Eighth Wonder" uit.

Donna Summer
Geboren als LaDonna Andrea Gaines in Boston, Massachusetts in 1948 verhuist Donna Summer op 18 jarige leeftijd naar New York waar ze Melba Moore vervangt in de Broadway musical "Hair". Haar achternaam Summer is eigenlijk een verbastering van Sommer, naar de acteur Helmut Sommer waarmee ze in de jaren ’70 getrouwd was. Daarna doet ze nog een aantal musicals om in 1971 haar eerste single "Sally Go 'Round The Roses" uit te brengen, zonder al te veel succes overigens. Het eerste succes volgt in 1974, wanneer ze met producers Giorgio Moroder and Pete Bellotte haar eerste single "Hostage" opneemt die het goed doet in Nederland, Frankrijk en België. Het bijbehorende album “Lady Of The Night” levert haar vervolgens ook nog de gelijknamige Europese hit op. In 1975 nemen Bellotte, Moroder and Donna Summer het liedje "Love To Love You Baby" op. In eerste instantie geloven ze er niet zo erg in, maar na een optreden in een Nederlands TV programma verovert de track al snel de clubs in Europa, waarna het ook in Amerika wordt uitgebracht door Casablanca Records. Van het 3 minuten durende nummer maakt producer Giorgio Moroder daarop een speciale meer dan 16 minuten durende versie die een wereldwijde hit wordt. Daarna volgt het album “Love Trilogy” (1976) met onder andere de hit “Could It Be Magic" en ook het daarop volgende album “Four Seasons Of Love (1976)” levert de nodige hits op. In 1977 brengt Summer “I Remember Yesterday” uit met de danceclassic "I Feel Love", één van de meest toonaangevende danceplaten ooit, waarvan Patrick Cowley ook nog een speciale remix maakt. Daarna volgt het album “Once Upon a Time”, "Last Dance", deelname aan de film Thank God It's Friday en het album “Live And More” met daarop een 17 minuten durende discoversie van "MacArthur Park Suite". In 1979 brengt de Queen Of Disco dan het album “Bad Girls” (1979) uit met daarop de gelijknamige hit en de Amerikaanse nummer 1 hit "Hot Stuff", die haar ook nog een Grammy Award oplevert. 1979 is een goed jaar voor de zangeres met 4 nummer 1 pop hits en 3 top 10 hits. Daarnaast heeft ze in 1979 tweemaal twee verschillende hits tegelijkertijd in de Amerikaanse top 3 staan, "Hot Stuff" en "Bad Girls", en "Dim All the Lights" en "No More Tears (Enough Is Enough)", welke laatste een duet met Barbra Streisand is. Het album “On the Radio” (1980) bereikt ook de nummer 1 positie in de Amerikaanse hitlijst, waarmee Donna Summer ook de eerste artiest is in Amerika die drie nummer 1 dubbelalbums achter elkaar scoort (naast "Live And More" en "Bad Girls"). In 1980 verschuift ze haar werkterrein van disco naar rock & roll en R&B met weliswaar wat hits maar zonder het succes uit het voorgaande disco tijdperk. In 1982 gaat ze samenwerken met Quincy Jones hetgeen het album “Donna Summer” oplevert en diverse hits ("Love Is in Control", "Woman in Me" en het door Vangelis geschreven "State of Independence"). Een jaar later volgt “She Works Hard For The Money” met de gelijknamige hitsingle. Daarna brengt ze nog een aantal minder succesvolle albums uit en wint ze Grammy Awards voor twee minder bekende liedjes, te weten "He's A Rebel" en "Forgive Me". Summer neemt daarna een korte pauze om in 1989 terug te komen met producerstrio Stock Aitken & Waterman en de hits "This Time I Know It's For Real" en "I Don't Wanna Get Hurt". Ook in de jaren ’90 volgen nog diverse albums met als noemenswaardige dancehits "Melody of Love" (1994) en "I Will Go With You". Ook een nieuwe remix van "I Feel Love" levert haar weer een hit op in 1995. In 1998 verdient ze ook weer een Grammy voor Beste Dance Opname voor de hit "Carry On". Tot 2005 heeft Donna Summer 5 Grammy Awards en 6 American Music Awards gekregen en verkocht in totaal meer dan 100.000.000 platen.

Supremes
The Supremes was een damesgroep en tevens één van de boegbeelden Motown in de jaren '60. The Supremes begonnen in 1959 als een dameskwartet onder de naam The Primettes, met oprichtster Florence Ballard, Mary Wilson, Milton Jenkins en Betty Travis. De meisjes waren rond de 16 jaar oud en al snel werd de toen 15-jarige Diana Ross aan de groep toegevoegd. Na wat groepswisselingen, mede veroorzaakt doordat Diana Ross en Motown-baas Berry Gordy een relatie krijgen, blijven Diana Ross en Mary Wilson in 1967 als enige originele leden over. Twee jaar later gaat Diana Ross echter solo en wordt ook zij vervangen en in 1977 valt de groep na het vertrek van Mary Wilson uitelkaar. The Supremes brengen diverse succesvolle albums en singles uit waaronder de klassiekers "Where Did Our Love Go", "Baby Love" (beiden 1964) en "Stop! In The Name Of Love" (1965), "You Can't Hurry Love" (1966), "The Happening" (1967) "Reflections" (1967) en "Someday We'll Be Together" (1969).

Al B. Sure!
Al Brown werd in Boston geboren. Op 10-jarige leeftijd schreef hij zijn eerste liedje voor de soundtrack van Sesamstraat. In 1988 bracht hij onder de naam Al B. Sure! zijn debuutalbum uit met de titel “In Effect Mode.” Hierop stond zijn grootste hit getiteld “Nite And Day”. Daarna volgden de albums “Private Times” en “Whole 9” welke laatste hem nog de R&B nummer één “Misunderstanding” opleverde in Amerika. Daarna was het een tijdje stil rond Al die daarna in de muziekbusiness terugkeert als vice-president van Motown en later als DJ in San Francisco verder gaat.

Surface
Surface werd als trio opgericht in New Jersey en bestond uit David "Pic" Conley, David Townsend en Bernard Jackson. Townsend en Conley waren voordat ze Surface oprichtten schrijvers bij EMI. Op hun eerste singles "Falling In Love" (1983) en "When Your X Wants You Back" (1984) zongen ze niet zelf, maar daar komt in 1986 verandering in met het nummer "Let's Try Again". Hun debuutalbum "Surface" (1986) levert een jaar later de hit "Happy" op. Het volgende album "2nd Wave" (1988) bevat de hits "I Missed", "Closer Than Friends" en de ballad "Shower Me With Your Love", welke laatste een R&B nummer 1 en pop nummer 5 wordt. De ballad "The First Time" was de eerste single van "3 Deep" (1990), die de groep een Amerikaanse nummer 1 hit oplevert (zowel in de pop als R&B hitlijsten van 1991). Ook de nummers "All I Want Is You" en "Never Gonna Let You Down" van dat album doen het redelijk goed. De laatste Surface single was "A Nice Time For Lovin" van hun "The Best Of Surface: A Nice Time For Loving". (1991) album. In 1998 volgt zonder veel succes het album "Love Zone".

Keith Sweat
Keith Sweat werd in 1961 geboren in Harlem, New York en bracht in 1987 zijn debuutalbum “Make It Last Forever” uit. Van dat album worden meer dan drie miljoen exemplaren verkocht en levert onder andere de hits "I Want Her" en "Make It Last Forever" op. In 1990 volgt dan “I'll Give All My Love To You” dat eveneens een miljoenen verkopend album wordt met de titeltrack "Make You Sweat", "Merry Go Round" en "Your Love, Pt. 2" als hits. Keith Sweat's derde album “Keep It Comin'” (1991) bezorgt hem een Amerikaanse R&B nummer 1 met de titeltrack. In 1994 volgt “Get Up On It” en twee jaar later “Keith Sweat”. Daarna verschijnen “Still In The Game: Didn't See Me Coming” (2000), Rebirth (2002) en “Welcome To The Sweat Hotel” (2006), maar deze laatste 5 albums leveren aanmerkelijk minder succes op.

Sylvester
Sylvester James werd geboren in Los Angeles geboren, ergens tussen 1944 en 1948, en begon zijn carrière als gospelzanger. In 1967 verhuisde hij naar Francisco waar naar eigen zeggen zijn level begon. Hij zong in eerste instantie in musicals en bij een groep genaamd The Cockettes. Zijn eerste eigen muziek bestond uit rockplaten maar in 1977 kwam zijn debuut solo-album “Stars” uit waarop hij een duidelijke keuze voor dance, en disco in het bijzonder, maakte. Kort daarna ontmoette hij Patrick Cowley. Cowley's synthesizermuziek en Sylvester's stem bleken een gouden combinatie die leidden tot het succesvolle album “Step II (1978), waarop de discoclassics: "You Make Me Feel (Mighty Real)" en "Dance (Disco Heat)" (beiden 1978) terug te vinden waren. Vanaf die tijd werd Sylvester op de achtergrond ook bijgestaan door Two Tons O' Fun, de latere Weather Girls Martha Wash en Izora Rhodes. In 1979 was Sylvester ook te zien in de film The Rose met Bette Midler. In 1981 verzorgde Sylvester de vocalen op het nummer  "Magic Number" van Herbie Hancock en een jaar later scoorde Sylvester een grote hi-energy hit met "Do You Wanna Funk" (1982), samen met Patrick Cowley. Daarna volgden nog een aantal clubhits, zoals "Don't Stop", “All I Need”, "Be With You", "All I Need" (allen 1982), "Band Of Gold", “Call Me” en "Trouble In Paradise" (allen 1983) en deed hij achtergrondwerk voor onder andere Patti LaBelle en Sarah Dash (op haar dancehit "Lucky Tonight"). Daarna begon hij voor zijn image steeds meer te koop te lopen met zijn homosexualiteit en hulde zich ook met regelmaat in vrouwenkleding. In 1985 zong hij mee op Aretha Franklin’s comeback-hit “Who's Zoomin' Who?” . In 1988 overleed Sylvester aan AIDS.

Sylvers & Leon Sylvers
De familiegroep The Sylvers groeiden op in Memphis, Tennessee. In 1970 verhuist de familie naar Los Angeles om in 1972 te debuteren met de single "Fool's Paradise". In 1975 gaan ze samenwerken met Freddie Perren die ook verantwoordelijk was voor de vroege successen van The Jackson Five, Michael Jackson en Tavares. "Boogie Fever" is hun eerste single die meteen een Amerikaanse nummer 1 hit oplevert. Ook het bijbehorende "Showcase" album doet het goed. De single "Hot Line" van het album "Something Special" (1977) wordt ook weer een hit, maar verdere singles en het daaropvolgende album "New Horizons" (1977) leveren aanmerkelijk minder resultaat op. In 1978 gaat groepslid Leon Sylvers als producer aan de slag met de groep die inmiddels nog maar uit vier leden bestaat, hetgeen leidt tot het album "Forever Yours" met de redelijk succesvolle single "Don't Stop, Get Off". Het volgende album wordt geproduceerd door Giorgio Moroder en gearrangeerd door Harold Faltermeyer en krijgt de titel "Disco Fever" (1979) mee. Daarna volgen nog "Concept" (1984) en "Bizarre", maar die floppen en de groep wordt ontbonden. Leon Sylvers wordt daarna een bekende en gewaardeerde producer die verantwoordelijk is voor succesvolle albums van onder andere Dynasty, The Brothers Johnson, Howard Hewett en Five Star. Ook brengt hij nog het solo-album "Leon F. Sylvers III" (1989) uit. De andere Sylvers familieleden werken in wisselende samenstelling en in verschillende hoedanigheden samen met onder andere Shalamar, Dynasty, The Whispers, Howard Hewett, Janet Jackson, Evelyn "Champagne" King en The SOS Band.

Leon Sylvers
Zie ook Sylvers & Leon Sylvers.

System
Het duo The System bestond uit zanger Mic Murphy en toetsenist David Frank en was afkomstig uit New York. Beide heren namen op een dag een nummer op dat al gauw als 12 inch werd uitgebracht. De single "You Are in My System" (1982, later succesvol gecovered door Robert Palmer) verovert al snel de Amerikaanse dansvloeren waarna het album "Sweat" volgt. De opvolger daarvan, “X periment” doet het wat minder goed, maar het album "The Pleasure Seekers" (1987) levert de gelijknamige nummer 1 R&B hit op en was tevens te horen in een aflevering van de TV serie Miami Vice. Op het album staat ook de hit "This Is For You" die het ook goed in de pophitlijst doet. Ook het volgende album “Midnight Lover” doet het weer goed en haalt zelfs de Amerikaanse pop top 20. The System gaat dan ook voor andere artiesten aan het werk en zijn te horen op Chaka Khan's "I Feel For You" en "Juicy Fruit". Ook werken ze met Phil Collins ("Sussudio"), Angela Bofill ("Can't Slow Down) Pauli Carmen ("Dial My Number"), Ashford & Simpson en Jeff Lorber ("Step By Step"). Ook leveren ze bijdragen aan twee Eddie Murphy films, te weten Beverly Hills Cop en Coming To America, waarvan de titeltrack van de laatste film de heren weer een Amerikaanse top 10 pophit oplevert. Het laatste album “Rhythm And Romance” (1989) doet het weer wat minder goed en Mic Murphy probeert het in 1991 nog met een solo-album (“Touch”) maar ook dat album doet maar weinig. Na een tijdje uit elkaar te zijn geweest brengen Mic en Frank in 2002 het album "ESP" uit, echter zonder veel resultaat.

 


Trefwoorden:
S